![]() |
Home | kalender |
|
Padre Casar Maes - Bibliografie - Fundacion |
Bibliografie Padre Cesar MaesHij was mager geworden, heel mager. En hij was ziek, zwaar ziek. Hij was deze zomer nog eens naar Vlaanderen teruggekomen, naar Overmere bij zijn familie. De dokters hadden hem gezegd wat hij zelf al langer wist. Ze hadden er aan toegevoegd: “Hier heb je een goede verzorging”. Maar hij was naar hier gekomen om afscheid te nemen, niet om te blijven. Hij wou sterven tussen zijn mensen in San Jose Ojetenám in Guatemala. Daar is hij overleden op 18 oktober 2005. De eerste jaren van zijn Humaniora had hij op het college van Lokeren doorgebracht, dan kwam hij bij ons in de klas. In poësis hadden wij Cyriel Coupé (Anton Van Wilderode) als leraar en in rethorica maakten wij de fusie mee tussen het Klein Seminarie en het Sint Jozefsinstituut. Cesar had roeping en werd in 1957 priester gewijd. Daarna ging hij vier jaar in Leuven studeren en werd licentiaat in Germaanse Talen. Aan het college van Ronse werd hij leraar benoemd. “Mijn ‘curriculumeken’ begon nochtans met een meevaller. Ik mocht in een arme familie geboren worden, op een steenworp van een groot meer (Overmere Donk), vol aantrekkelijkheden. Vader was klompenmaker en dat was geen indrukwekkende carrière. Hij maakte klompen en, met moeder, elf kinderen. Dat was veel volk voor een klein huis. Toen verscheen onverwacht, meer dan vijftig jaar geleden, Albert voor wie ik misdienaar werd. Hij was een vriend en, na een complot met een geliefde onderwijzer, stuurde hij mij met zijn fiets naar het Lokers College en zorgde voor een studiebeurs. Hij maakte een einde aan het straatlopen. Na pijnlijke oorlogsjaren met veel jongensleed als zwart schaap tussen rijkere klasgenoten, volgden de zorgeloze internaatsjaren in Sint Niklaas, vol voetbalpret, studiegenot en jeugdige vriendschappen. Met de studie van de wijsbegeerte en de godgeleerdheid, onderbroken door een namaaksoldatendienst, moest mijn curriculum al aanvaardbaar zijn. Dat was een vergissing. De bisschop verzocht mij om in Leuven gedurende vier jaar de diepten van het Germaans karakter te doorgronden. Nadien ondergingen Ronsische studenten, acht jaar lang, de twijfelachtige gevolgen van die Leuvense afwijking.” Zo beschreef Cesar zijn jeugd in een brief van 1993. Cesar schreef over de jaren heen veel brieven, drie à vier per jaar. Schone brieven want Cesar kon goed schrijven. Hij schreef ze in het nederlands maar ook in het engels en in het duits, naar dichte en naar verre vrienden. Zo kwam hij per toeval in verbinding met het duitse bisdom Rottenburg-Stuttgart dat in 1992 zijn brieven bundelde en ze in boek uitgaf. Vlaanderen kon niet achterblijven en in 1995 liet de Heemkundige Kring van Overmere “Adios Tristeza Vlaaamse literatuur uit Guatemala” verschijnen. Wij zullen dus veel uit zijn brieven citeren, hem zelf zijn levensloop laten vertellen. In 1970 na acht jaar “vaste job” als leraar en koorleider aan het College in Ronse, is Cesar niet meer te houden. Hij mag van zijn bisschop als fideï-donumpriester vertrekken. Cesar wordt missionaris. Hij komt terecht in het onrustige Guatemala en vestigt zich tussen de Maya-indianen in San Jose Ojetenám. Dat is een bergdorp op 3000 m hoogte, geplakt tegen de Mexicaanse grens. Vervoer is er niet, de enige toegangsweg is enkel per jeep berijdbaar en loopt er dood tegen de bergen. Electriciteit is er niet. De mensen wonen er in huizen van adobe (gedroogde aarde) met daken van gedroogd gras; binnen zorgt de rook van het vuur dat de tranen uit de ogen lopen. Er is een kleine dorpskern met een pleintje maar de 12.000 mensen wonen er in afgezonderde huizen, verspreid over de bergflanken in aldeas (gehuchten) die ver afgelegen en enkel te voet of te paard bereikbaar zijn. “In een bergdorp heb ik mijn mensen ontmoet. Ik leerde hun armoede kennen in een vensterloos hokje. Het gezelschap van vlooien maakt de nachten lang en het lichaam gevoelig. De kippen vertikten het om op een bankje bij het vuur een duimbreed op te schuiven en soms beroerden mijn voeten onverwachts een klokhen met haar gezin of een slapende hond. Ik zag de armoede in het schouwloos huis van de familie waar ik te gast was. Ik las mis in een vensterloze kerk: een donkere schuur, zonder altaar, zonder tabernakel, zonder bevloering, zonder gewelf, zonder lampen. Wat doet ge als een hond dan aan uw albe komt snuffelen? Hopen dat het bij snuffelen blijft. Wat doet ge wanneer een vrouw met een schreiend kindje op de rug en een zuigend kindje aan de borst knielend haar zonden belijdt en wanneer plots haar kleine tegen uw knieën spartelt? Denken dat dit de bevoorrechten zijn uit het Evangelie.” Brief uit 1970 Nooit voordien had San Jose een kerk, laat staan een pastoor, gehad. Zelfs voor de geloofs-ijverige Spaanse veroveraars was San Jose geen bezoekje waard geweest. Zo wordt Cesar de eerste pastoor van San Jose Ojetenám. Op 19 april 1970 doet hij officieel zijn intrede opgewacht door een zingende en bloemenwerpende menigte en als welkomstgeschenk krijgt hij 1300 stenen van gedroogde aarde. “Mannen, vrouwen en kinderen hielpen geestdriftig bij de bouw van de pastorij, zodat na vier weken de ruwbouw er stond. Het is een weelde van zes plaatsen onder een zinken dak. Ik huis al in dit voorlopig primitief hok. Een plastiekzak, waarin ooit een deken stak, doet prachtig dienst als venster. Ik kook zelf mijn potje. Leve de jeugdbeweging!” Brief uit 1970 Maar ook ontgoocheling en twijfel is zijn deel in dat beginjaar. “Een grillige jeep, een weg bezaaid met rotsstenen en verraderlijke putten in onhandelbare modder. Achter mij zit een stomdronken kerel. Zijn geschonden hoofd met bloedig gekloven wenkbrauwen, als gevolg van een val of vechtpartij, ligt in de schoot van een vrouw, die niet zijn vrouw is, maar die van deze buitenkans geniet om te getuigen dat blinde liefde internationaal is. Met hen moet ik drie uren rijden door regen en dondervlagen. Een conversatie met iemand die zijn geest verdronken heeft, is moeilijk. Het zijn drie lange uren uit een soort liefde, die soms eigenaardige vormen aanneemt. Liefde voor een dronkelap die verzorging nodig heeft en die als enige betaling een paar vlooien achterlaat. Drie lange uren om erover te piekkeren wat ik hier als onnozele, eenzame Vlaming kom doen. Het zal hier moeilijk worden. Hoe raak ik dichter bij deze mensen? Hoe raak ik door dat pantser dat gesmeed werd door eeuwenlange afzondering, door armoede, door bijgeloof en door onze onverschilligheid?” Brief uit 1970 Maar later schrijft hij: “Deze mensen worden mijn levensgezellen. Zij nemen mij zonder voorbehoud op in hun vriendschap. Het is een vriendschap zonder zoeterigheid. Hun vriendschap is gekleurd door hun armoede en geen vriendschap was ooit rijker gekleurd. Ik moet nog leren begrijpen dat de mannen die regelmatig hun vrouw afranselen- en dat doen wel de meeste- geen onmensen zijn, dat de moeders van een aantal vaderloze kinderen geen ontaarde moeders zijn. Soms vraag ik mij af waar deze mensen hun bekoorlijkheid vandaan halen. Niet in hun bijgeloof, niet in hun meisjes die bijna zonder jeugdovergang volwassen worden, niet in hun dronkaards die gearmd over de wegen zwaaien tot ze ergens snorkend de ontnuchtering zoeken. Ze zijn mooi in hun onbegrijpelijke eenvoud, het soort eenvoud dat aan naïviteit grenst. Zij zijn mooi in hun samenhorigheidsgevoel, in de glimlachende gelatenheid waarmede ze voor- en tegenspoed verwerken. Zo zijn de vrouwkes, die tijdloos staren in hun één-centavo-kaarske. Ze zitten op hun knieën en hun blote voeten doen denken aan grauwe, vereelte dierenhuiden. Zo zijn de kinderen, die met elke zwaai van de hak meezwaaien op de rug van hun moeder en die u, al kunnen ze nauwelijks praten, guitig lachend een “padrecito” toekraaien.” Cesar bouwt en na twee jaar is de kerk klaar en ook een grote parochiezaal waar wel meer dan 1.000 man in kan. Op de gevel schildert hij zijn uitdagende leuze: Adios Tristeza. Met de financiële hulp van vooral een vriend uit Amerika kan hij ook een groot terrein kopen even buiten de dorpskern. Van de Prado maakt hij een proefterrein en hij leert er zijn indianen bloemkolen, erwten, rapen, wortels kweken, hij plant fruitbomen. Hij leert zijn mensen schouwen metsen en bezorgt hen ijzeren platen zodat ze nu op een soort kachel kunnen koken en er geen rook meer hangt in hun huis en daardoor vensters en deuren kunnen sluiten. Hij voert zelfs 12 melkgeiten uit USA in en nog wel per vliegtuig. Voor vele zieken is zijn landrover het redmiddel voor vervoer naar het Hospitaal in San Marcos en dikwijls de laatste hoop op overleven. “Op een zondagavond werd ik gevraagd om, een half uur ver, in de heuvels een zieke te bezoeken. Na drie dagen worstelen hadden enkele onbeholpen vroedvrouwen een jonge vrouw niet kunnen verlossen. Ze werd in een primitieve draagbaar naar het dorp gebracht. Mijn landrover is geen ziekenwagen en het kostte veel moeite om voor haar ligruimte te vinden op een luchtmatras. Wij ploeterden urenlang over de modderweg. Zelfs het duwen van een uitgeputte echtgenoot was nodig om er ons doorheen te helpen. Wij beleefden een intens genoegen toen wij het vrouwke konden achterlaten in de handen van een dokter waar het probleem werd opgelost. Ook de terugreis was een wild avontuur. In plaats van drie uur rijden werd het zeven uur zwoegen, gedeeltelijk over nooit bereden, glibberige hellingen en niet zonder het gebruik van hak,machete, koorden, wild gras, takken en stenen.” Cesar heeft veel leed gezien. Veel kinderen zien sterven. Ook ander leed. “Enkel in San Jose stierven in de laatste tien dagen veertien kinderen tussen vijf en tien jaar oud. In een gezin overleden er twee op dezelfde dag. Van de tien kinderen hielden ze er twee over. Een grootvader kwam me halen. “Hoeveel kost een zegen voor alle twee a.u.b.” Ik ben de wenende familie gaan bezoeken maar voelde me weinig geneigd tot zegenen. Wij hebben samen gebeden bij die twee lijkjes. Ik kon niet spreken over “twee engeltjes meer voor de hemel,” wel wenste ik dat God wat meer genoegen zou beleven aan zijn engeltjes op aarde.” “Er staan veel herbergen, cantina’s, langs die weg. Ik heb het zatte, waanzinnige gehuil gehoord van een man en het zachte snikken van een vrouw met een kind aan haar borst en eentje op de rug, nog een dagtocht ver van hun huis. Ik had enkel een stil wensgebed voor dit groepje leed.” Brief uit 1974 In 1978 mag Cesar juichen: waar voorheen nooit tomaten groeiden in San Jose, bracht een tomaat onder plastiek het tot 450 gr. En dank zij de naderende verkiezingen en met Duits en amerikaans geld, stroomde er nu ook voor het eertst electriciteit naar San Jose. Alle elektrisch materiaal werd voor gans het dorp aan groothandelsprijzen gekocht en Cesar werd installateur in vele huizen. Dat jaar is ook het jaar van de komst van de molen op de Prado. Die molen is over al de jaren heen het succesverhaal. Waar vroeger de indiaanse boerkens hun maïs aan gesacrifieerde, gedumpte prijzen moesten verkopen aan eigenaars van grote molens en er hun gemalen bloem duur moesten aankopen, daar kwam nu verandering in. “Onze mensen zijn geestdriftig voor die molen. Het is nu voor hen een heerlijk plekje waar die molen staat. En het verkeer is er druk. Soms staat er een file van wel dertig paarden en ezels. Sommigen komen van veertig kilometer ver.” In 1980 viert de parochie haar tienjarig bestaan en dit jubelfeest is het geschikte moment om de verdiensten van de catechisten bij al de verwezenlijkingen naar voor te brengen. Cesar verklapt ons hier hoeveel energie hij in die leken gestoken had. “De catechisten zijn de voortrekkers. Bijna honderd zijn er. Ze offeren elke zaterdagavond, elke zondagvoormiddag, één volle dag per maand en twee studieweken per jaar. Zij verzorgen in hun gehucht wekelijks minstens één woordviering en zijn de vlugste vrijwilligers voor karweitjes.” Brief uit 1980 Maar Cesar begon zich bij dit feesten wat onwennig te voelen. Steeds meer komt de onderdrukking van de indianen in Guatemala aan bod in zijn brieven. In Nicaragua is er opstand. De bevrijdingstheologie maakt dat overal in Midden en Zuid-Amerika christenen zich meer bewust worden van de uitbuiting van hun volk en dat ook aanklagen. “Als iemand beweert dat hij honger heeft, is hij voor de staatsveiligheid een communist. Als hij het durft herhalen wordt hij gevaarlijk. Men heeft al veel mensen doen zwijgen in dit land. Definitief. Daarom, en om nog veel meer, hopen wij dat de Kerk in Latijns-Amerika moedig zal zijn. Dat ze ons zal vragen om van de armen te houden. Dat vrede het zal halen van geweld. Dat ze voorzichtigheid niet zal verwarren met wankelmoed.” “Guatemala is meer dan het hoogland. In de kustvlakte is het veel warmer. Op alle gebied. Daar moet men voorzichtig zijn. De situatie is er breekbaar. Onlangs mocht ik daar bij vrienden overnachten. Terwijl wij sliepen werden de muren van de pastorij, en ook andere elders in de stad, groot en zwart beklad met: “ Walter, wij zullen u krijgen, levend of dood.” Het was een attentie van het geheim anti-communistisch leger ( Ejército Secreto Anti-communisto) Walter is een priester. Hij spreekt veel over rechtvaardigheid, in een streek waar rechtvaardigheid communistisch getint en dus verwerpelijk is. Zolang als de beschermers van de staatsveiligheid geen nederlands leren ben ik hier betrekkelijk veilig bij geiten en schapen, bij varkens en straathonden en bij deze onvergetelijke mensen. Ik zou graag nog lang bij hen blijven.” Brieven uit 1979 Een jaar later, op 12 mei 1980 wordt Walter Voordeckers in Santa Lucia Cotzumalhuapa bij het verlaten van zijn pastorij in klaarlichte dag doodgeschoten door vier man. Onlangs nog is een Belgische gerechtelijke commissie in Guatemala op onderzoek geweest om vooralsnog de schuldigen op te sporen en te laten bestraffen. “Wilt ge ons eindelijk eens vertellen wat daar allemaal omgaat? Ge doet alsof er geen vuiltje aan de lucht is.” Zo schreef een knorrige broer. Goed er zijn vuiltjes aan de lucht. Klompen vuil. Zoveel vuil dat ik dit schrijven langs een ander luchtruim laat vliegen. Al geloof ik niet, wat kwatongen beweren, dat mijn tong en mijn pen te gevaarlijk zijn. Dit verhaal is geen klaaglied. De Kerk beleeft in Latijns-Amerika een glansperiode. Op deze Kerk zijn wij fier. Van deze Kerk kunnen wij houden. In deze Kerk kunnen wij geloven. Ze bloedt en ze bloeit. Ze bloedt erg. Het is het bloeden na een dringende operatie. Ze moest worden losgescheurd, al blijven er nog enkele weerspannige vezels uit een beschamend verbond van de grote G’s: de Grootgrondbezitters, de Generaals, de Geestelijken.” Brief uit 1980" Cesar wordt voorzichtig. Uit een brief van 1981 “Met stenen gooien in een porseleinwinkel is af te raden. Wij praten dus liever over zuurkool dan over politiek” Maar de golf van onrust bereikt in 1982 ook San Jose. Bij het verlaten van de zaterdagse vergadering worden twee catechisten vermoord. “Tien jaren ervaarde ik San Jose als een paradijs van vrede. Er vielen schoten in dat paradijs. Edelmar en René lagen in een plas bloed, in het postkantoortje. Twee landrovers brachten de moordenaars. Nog jonge mannen. Zij spaarden de kogels niet. Zij gooiden ook een granaat op het dorpsplein en reden toen kalm weg. Everardo, de postbediende, namen ze mee. Everardo vond men nooit terug, ook niet als lijk.” “Onlangs kwamen minstens vijftig soldaten bij verrassing naar San Jose. Hun vrachtwagen hielden ze achter een heuvel verborgen. Vele huizen werden doorzocht. Er werd ruw tegen de deur geschopt. “Openen of wij doen het zelf.” In de straten en op de markten worden jonge mannen gegrepen om “vrijwillig” hun rangen te versterken. In het centrum van San Jose zijn nu geen twintig mannen meer.” Brief uit 1982 Cesar wordt er zich nu bewust van dat hij wel degelijk gevaar loopt. Een Waals priester uit de buurt, werd uitgewezen uit Guatemala. De kanselier van de Belgische ambassade heeft hem veiligheidshalve begeleid op zijn reis tot aan het vliegtuig. Een priester uit de hoofdstad licht Cesar in dat daar het gerucht loopt dat een Belgische priester gezochte subversieven over de Mexicaanse grens helpt en vermits daar maar één Belgische priester is was de waarschuwing niet mis te verstaan. Een ex-militair uit San Jose, verbitterd omdat hij het bij de verkiezingen voor burgemeester moest afleggen tegen een catechist, stuurde een brief vol valse beschuldigingen aan de gouverneur in San Marcos. En Cesar ervaart toevallig dat er vreemden op zijn zolder zitten om hem af te luisteren. Hij geeft hen wijselijk de gelegenheid om ongezien te verdwijnen vermits het veiliger is zijn belagers niet te herkennen. Cesar gaat nu slapen in een verborgen hoekje onder het dak van de kerk. Maar als Desiderio, burgemeester, vriend en rechterhand van Cesar, en Diogenes de gemeentesecretaris, besluiten om naar het legerkamp te gaan en daar met de kapitein de toestand te bespreken, keren ze niet meer weer, nooit meer. Dat was de grote schok voor Cesar. Vijf catechisten kunnen hem overtuigen om met hen nog die zelfde nacht te voet over de bergen naar het veilige Mexico te vluchten. Dertien uur duurt de tocht over moeilijke paden. “Mexico ontving ons vriendelijk, ook de bisschop van Tapachula. Mijn vluchtvrienden worden nu gekweld door heimwee. Dat knaagt soms harder dan vrees. In San Jose zullen enkele catechisten verder doen en in de afgelegen aldea’s is er voorlopig voor hen geen gevaar. Ook de molens blijven draaien. Als priester kreeg ik hier dezelfde opgave bij meestal dezelfde mensen, ook velen van San Jose. De hulpactie voor die gevluchte families wordt ondertussen georganiseerd.” “Veel van wat ik in Mexico beleefde was nieuw. Over de gastvrijheid van de Mexicaanse buren niets dan goed, al zijn ze opvallend vuil en bedroevend lui. Maar dat zal wel van de warmte zijn. Velen hebben een perceeltje koffie en daarmee kunnen ze leven, zuiders en zorgeloos, luid en sentimenteel. Ik mocht de bisschop een week lang vergezellen op zijn pastorale bezoeken. Eén van de bezoeken kostte de bisschop twintig uren te paard en mij evenveel vrijwillige uren te voet.” “Ik verbeterde, zonder veel geestdrift, mijn marsrecord. In een tijdsspanne van acht dagen bracht ik het op 44 uren. Uren die op elkaar lijken als druppels zweet: klimmen en dalen, eens rusten, hemdeke wat laten drogen, een profijtig slokje drinken en al de ervaringen van de laatste maanden op een rijtje zetten.” Stilaan wordt de toestand in San Jose veiliger en na maanden keert Cesar terug. “Wat een vreugde! Ik zie weer de voorkant van mijn vulkaan. Het koffieseizoen in Mexico is lang voorbij. Onze mensen zijn weer thuis. Ook mijn medevluchters sijpelden Guatemala binnen. Ik sijpelde mee. Mijn thuiskomst beschrijven kan ik niet. De begroeting, de vragen, de ontroering, de milde verwijten, de betraande glimlach het moet allemaal verwerkt worden eerst tot herinnering en dan maar verwoord. Maar dit weet ik nu beter: het woord ontheemden is een samenvatting van vele vormen van leed. Cesar weet het nu zeker. Hij is de vijftig al voorbij. Hij zal in San Jose blijven. Nog meer dan twintig jaar. Met vernieuwde ijver werkt hij aan zijn “Guatemala-ervaring” zoals hij zelf zegt. De molens hebben het druk, 65.000 kg in één maand; er wordt gestart met een Vlaamse kermis die Guatemalteeks wordt; de parochiezaal wordt een tweede maal vergroot. “Nieuwjaarsavond juist voorbij. Een prachtig geslaagde Noche Social met een Evocatión Navidena, met typische en andere dansen, met lachnummers en met muziek en dans. Enorm veel volk, ruw geschat méér dan 1200 mensen in de zaal. En iedereen uitermate tevreden, ik ook, vooral als het voorbij was. Aan de aarde kleven en naar de sterren kijken, is dat niet een beetje Kerstmis?” Brief 1988 En hij begint ook aan het grote project. Het proefterrein, de Prado, ligt halverwege tegen een helling aan en er stroomt een bergrivier in de omgeving. Het water wordt afgeleid en afgedamd. Met man en macht wordt er met grond en stenen gesleurd. Stilaan vult de kom zich. Het wordt een vijver, zo groot als een voetbalveld. En vermits Cesar van Overmere is met daar het Donkmeer, kwamen ook op de Prado roeibootjes, geel en groen geverfd. En er kwamen lelies op de vijver, lelies uit de Plantentuin van Meise en gesmokkeld in de handbagage. En er kwamen karpers, de eerste vissen in het hoogland van Guatemala. “Op openingsdag van de visvangst haalde de achtjarige Medina de eerste karper uit de vijver, zo groot als haar voorarm. Dat was de allereerste vis in de geschiedenis van ons hoogland die ooit aan een haak spartelde. Haar glimlach was als een flitslicht op nooit vermoede vreugden.” “Don Tomas moest vijfenzeventig jaar worden vooraleer hij vissen kon zien. Hij toonde mij zijn plastiekzakje met de gekleurde karpertjes. “Kijk, padrecito, hoe mooi.” Hij haastte zich naar huis naar zijn waterputje. Er zijn nu honderden waterputjes en mini-vijvertjes in de wijde omgeving. Dat er nu al meerdere karpers rondzwemmen met het formaat van een braadpan, vermeerdert de geestdrift.” “Een paar duizend karpers hebben nu zes miljoen liter water om in te spelen. Ze spelen daar niet alleen. Met tien roeibootjes, glijbanen, schommels en twee draaimolens werd het een nooit gedroomde ontspanningstuin. Op de kam van de dijk staat in keurige letters: Alles spreekt over God. Het is er nu druk. Velen, ook ouderen, wagen er hun allereerste bootavontuurtje” Brief 1991 Als men Google-t en San Jose Ojetenám intikt, ziet men er de burgemeester, een catechist, pronken met kerk, parochiezaal en met al die verwezenlijkingen op de Prado. Van karpers naar forellen is slechts een kleine stap, zou men zeggen. Voor Cesar was het echter een autoreis naar de omgeving van Bordeaux op de laatste dag van zijn verlof hier in Vlaanderen, om dan de forelleneitjes, in natte doeken ingepakt, clandestien van het ene continent naar het andere over te vliegen en daar dan weer een hotsende dagreis te trotseren. Meerdere vijvers met koel, stromend water liggen al klaar als hun logement. “De forellen doen het stukken beter. Wat kunnen wij doen opdat ook ongelovigen zouden geloven dat hier ook exemplaren zijn van méér dan twee kilo? Door kunstmatige bevruchting gaven enkele wijfjes ons een goede duizend kwekelingen. Dat zijn nu zuivere Guatemalteekse, al zijn hun grootouders buitenlanders. Dit jaar kunnen het er duizenden zijn door het groot aantal forellen. Dit project kan een prachthobby zijn voor de oude dag en de pensioenleeftijd. Vandaar de onschuldige bekoring om daarnaar uit te kijken.” Brief uit 2000 Paling gaan eten op de Donk was het maximum aan luxe dat hij van zijn vrienden wou aanvaarden wanneer die hem hier in Vlaanderen eens op een etentje wilden uitnodigen. Cesar voelde zich hier niet meer thuis. “Velen in mijn land hebben de glimlach verloren. Niet in Guatemala, waar ik leef, wel in Vlaanderen, waar ik geboren werd. Toch lag Vlaanderen wijd en prachtig. Na 22 jaar mocht ik er nog eens beleven hoe de lente er wakker werd. Ik zag rare dingen in mijn land. Ik was zelfs getuige van een drama bij een autoverkoper. Een dame was daar erg kwaad. Ze was niet meer jong, al deed ze alsof. Een zestigjarige vrouw in minirok is een tragische verschijning. Maar dat was niet de kern van het drama, want ze was zich van de mislukking van die verjongingskuur niet bewust. Het drama lag dieper. Er was een kras in haar nieuwe wagen, duidelijk zichtbaar met het blote oog.” Brief uit 1992 “Zouden de vrienden wel begrijpen hoe de volle dertig jaren bij deze mensen overvol waren van schoonheid en van onbetaalbare ervaringen?” Brief uit 2002 Maar voor alles was Cesar priester. Priester in zijn kerk, die hij zelf in die eerste, moeilijke jaren gebouwd had. Priester in de “huiskapel” van de vele modder-huizen van zijn mensen. “Dit jaar was het bijzonder druk in de kerk. Er waren 275 eerste communicanten, het dubbel van voorgaande jaren en 194 vormelingen, vooral volwassenen. Plechtige communie kennen wij hier niet, de eerste is in alle eenvoud al plechtig genoeg.” “Ik moest onlangs in die omgeving zijn voor een mis bij een zieke. Een catechist zou me opwachten om mij de weg te wijzen. Hij was te laat op de afspraak. Gelukkig floten aan de wegkant een paar vinken. Er was tijd om te kijken naar de bossen die als groene wolken op de heuvels rustten. Er werd reeds gebeden toen wij het huis naderden. Van op afstand horen hoe anderen luid het Onze Vader bidden is een ontroerende ervaring. Het was stemmig en donker daar binnen al stond de kelk op een gevaarlijk hellende tafel. Of het water proper was kon ik niet zien omdat het glas te vuil was. Af en toe snuffelde een hond aan mijn broekspijpen. Een gebrekkig meisje kroop naar de communie. Het goedkoop kaarsje hield het niet vol tot aan het einde. Bij het vertrek gaf de moeder van Filiberta mij minstens drie kilo van haar mooiste, nog groene perziken. Drie kilo méérgewicht in mijn rugzak voor de lange, steile terugtocht. Goed voor een halve liter zweet. Brief 1992 Op 18 oktober 2005 is Cesar dan gestorven. Priester - in -zending. “Woorden zijn armer dan gedachten. Geduld en hoop moeten ons helpen aanvaarden wat niet verwoord of niet begrepen kan worden: de raadsels van de sterrenhemel, de mysterieuze rust van een waterlelie die uit modder schoonheid puurt, de bekoorlijkheid van een kindergezicht, de onpeilbaarheid van muziek, de geheimen van ons vluchtig bestaan, de ontastbare eeuwigheid en de stilte van alle stilten.” Brief uit 1989. |
|
Laatste wijzigingen: 23/03/06 @ 21:28 CET | 50.9 msec © Copyright 2003-2012 Dekenaat-ronse.be Powered by SiteEdit © 2002-2012 |