Home | kalender
 
Dekenaat

M.T'Joen

Sprokkels

Ter Bezinning

Naar uw woord

Gebeden


‘Ik ben de goede herder’



Eén van de aantrekkelijkste beelden waarin Jezus zich aan ons voorstelt, is dat van de goede herder. Het gaat terug op nieuwtestamentische teksten waarvan deze, in het tiende hoofdstuk van het vierde evangelie, de belangrijkste en meest sprekende is:


‘11 Ik ben de goede herder. Een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. 12 Maar een huurling, geen echte herder dus, als die een wolf ziet komen, laat hij de schapen in de steek en gaat ervandoor – het zijn zijn eigen schapen niet! – en de wolf overvalt ze en drijft ze uiteen. 13 Hij is immers een huurling en bekommert zich niet om de schapen. 14 Ik ben de goede herder: Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen Mij, 15 zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; Ik geef dan ook mijn leven voor mijn schapen. 16 Ik heb nog andere schapen dan die uit deze hof. Ook voor hen moet Ik een herder zijn: ze zullen luisteren naar mijn stem. Zo wordt het: één kudde met één herder.’


Het is vreemd dat dit beeld blijft boeien. Rondtrekkende herders met hun kudde zijn uit onze omgeving verdwenen. Maar dit schriftbeeld werkt na. Het blijft spreken van tedere zorg, beveiliging, voeding en sterking, vereniging.

Om het goed te verstaan, moeten we het Oude Testament openslaan. God zelf wordt er aangevoeld als de veilige Herder. Overbekend wordt dat bezongen in psalm 23, vanaf de aanvang: ‘De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets.’ De onmiddellijke achtergrond voor Jezus’ zelfvoorstelling is echter het strafbetoog van de profeet Ezechiël tegen de slechte herders van het Godsvolk. Voortaan zal God zelf zich de goede Herder betonen en één goede herder in zijn naam aanstellen (Ez 34). Volgens het vierde evangelie claimt Jezus dat in Hem die profetie nu vervuld is. Lapidair en ergerlijk stelt Hij: ‘Ik ben de goede herder!’

Maar waarin bestaat die ‘goedheid’? Drie redenen worden hier aangegeven. Vooreerst: ‘Een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen.’ Dat staat in fel contrast met de huurling die het leven van zijn schapen laat afnemen als voor hem en voor hen doodsgevaar dreigt. Deze Herder engageert zichzelf zo zeer voor zijn ‘schapen’ dat Hij hun doodslot in Zich opneemt om het te openen in een liefde die alle dood weerstaat. Voortaan plant Hij in de samenleving een nieuwe wet, die van de zorgende, zichzelf gevende liefde.

Bovendien beschikt de Goede Herder over een intieme kennis van zijn ‘schapen’: ‘Ik ken mijn schapen en mijn schappen kennen Mij, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken.’ Blijkbaar gaat het over een wederzijdse kennis en deze reikt tot in Gods diepte, de intieme relatie tussen de goddelijke Zoon en zijn Vader. Bedoeld is dat alle mensen finaal haken naar een ultiem begrepen zijn, dat Jezus dat kan aanbieden en dat mensen die zich voor Hem openen meteen herkennen dat Hij dat diepste verlangen weet te beantwoorden. Het is niet weinig, inderdaad, te mogen beseffen dat ik persoonlijk gekend ben, beter dan anderen mij menen te kennen, omvattender dan ik mijzelf ken. Daarbij is Gods kennen niet een fixerend weten, maar een liefdevol invoelen dat tot aanvaarding en promotie leidt. De Vader en zijn vertegenwoordigende Herder weten wie ik ben, wie ik maar ben, wie ik kan worden en motiveren mij naar het ideaalbeeld toe dat Zij voor mij persoonlijk bereiden.

Ten slotte brengt de Goede Herder ons bij zijn centraal geluksproject dat in algehele vereniging bestaat: ‘Ik heb nog andere schapen dan die uit deze hof. Ook voor hen moet Ik een herder zijn: ze zullen luisteren naar mijn stem. Zo wordt het: één kudde met één herder.’ De Gemeente die Jezus voorstaat, is geen elitaire, gesloten sekte. Deze herder kent geen begrenzingen. Volstrekt ‘goed’ is Hij omdat zijn eenheidswerk zich op alle mensen van alle tijden richt, een omvattende én geheel open verzameling, van volstrekt allen, naar de éne Vader.

Drie weldaden vloeien uit dit beeldwerk voort. Vooreerst dat we ons veilig mogen laten ‘herderen’ door deze Voorganger. Hij beoogt ons ultiem geluk en is in staat dat te bewerken als we ons laten leiden. Zoals steeds wordt deze gave vervolgens ook opgave, opdracht, zending. Jezus’ herderschap moet op en in ons overgaan. In de mate dat wij elkaar constant ‘herderen’, zorgend en gevend nabij zijn, bedacht op de enige opdracht die ons te doen staat, de ontgrensde vereniging, treedt zijn herderschap uit de beeldspraak en wordt ze in ons samenleven reële gelukskracht. Alleen op die basis kan ten slotte gehoopt worden dat ‘geherderde’ christenen zich kunnen en willen engageren om als herders-voor-het- leven teken te zijn van de Goede Herder die zijn Gemeenten blijft voorgaan en samenhouden.

M. T’Joen
  | Afdrukken |Zoeken |SiteMap | Mail ons





Laatste wijzigingen: 09/05/12 @ 20:55 CET | 290.3 msec
© Copyright 2003-2012 Dekenaat-ronse.be
Powered by SiteEdit © 2002-2012