Home | kalender
 

Sint-Hermes

Koren
Sint-Gregoriuskoor

- Naar de Kust 31 mei 2008
- Historiek
- Nevenactiviteiten
- Optredens
- Organisaties
- Breughelavond
- 125 jaar
- In dankbare herinnering

Weekend Maastricht 2007
- Programma
- Verkenning

Weekend Hoge Venen 2006
- Programma
- Foto Album

Weekend Dordrecht 2005
- Reportage
- Foto Album

Weekend Kleve 2004
- Foto Album

TWEE GEDACHTEN


Het was een voorrecht op zaterdag 1 maart 2008 het jubelconcert van ons Sint-Gregoriuskoor te mogen bijwonen. Als huldeblijk voor dit ‘orgelpunt’ van 125 jaar samenzang koppel ik graag twee beschouwingen aan dit bijzonder geslaagd en door alle aanwezigen sterk gewaardeerd evenement.
Bekend, maar blijvend verrassend is de uitspraak van de vermaarde Russische schrijver F. Dostojevski in zijn roman ‘De idioot’: ‘De schoonheid zal de wereld redden!’ In een tijd die – zoals altijd – niet zonder problemen is, zijn ‘vlekken’ en zelfs gruwelijkheden kent, is een avond als deze met een weelde aan muzikale genres, inderdaad verheffend. Ieder zal door iets getroffen geweest zijn. Persoonlijk deed de wending in het Credo van J. Haydn – van Christus’ graf naar zijn opstanding – mij aan alsook het terecht herhaalde slot: ‘Agnus Dei’. De wereld haakt naar verlossing en door dergelijke hoogstaande uitvoeringen geraken we die op het spoor.
Een tweede gedachte bracht mij de historische schets van de lotgevallen van het koor doorheen meer dan één eeuw lang. Er zijn moeilijke momenten geweest, maar de samenzang hield, houdt stand. Die ‘verrijzeniskracht’ moge in onze gemeenschap een aanstekelijk teken zijn dat ondanks en misschien dankzij tegenmomenten samenwerking altijd toch de overhand heeft.
Met deze dubbele boodschap – in schoonheid en vereniging – herhaal ik in naam van velen de felicitatiewens: nog vele jaren, zo!
M. T’Joen, pastoor-deken



MIJMERINGEN BIJ 125 JAAR ST.-GREGORIUSKOOR

Het was vreemd toen ik de trappen opging naar de feestzaal van ons toch mooi stadhuis voor de academische zitting van …125jaar St.-Gregoriuskoor. Wie had dat kunnen denken …een kerkkoor en dat in Ronse. Toch klopte het plaatje. Zoals gemeenteraadslid Jan Foulon zei ‘125jaar , daar moet je bij zijn, er is geen enkele vereniging in onze stad die zo lang bestaat’.
Burgemeester Luc Dupont verwelkomde hartelijk en gemeend het koor, hij had hen diezelfde dag nog mogen beluisteren, weliswaar in andere omstandigheden… Hij verwees dan ook naar het leven waar inderdaad droevige momenten dicht bij vreugdevolle momenten liggen. Dat is nu eenmaal het leven.
Hij maakte ook duidelijk dat het St.-Gregoriuskoor meer is dan enkel parochiekoor, door te verwijzen naar het Fiertelweekend waar zij steeds de vieringen opluisteren. De fiertelommegang behoort immers tot onze stadscultuur.
Vermits het koor ook al meerdere optredens had in binnen- en buitenland zijn ze terecht ‘ambassadeurs van onze stad, en van onze St.-Hermescollegiaal’.
Toen dirigent Dominique de historiek schetste van het 125jarig St.-Gregoriuskoor dacht ik: Ook bij dit koor was er vreugde en verdriet. Gelukkig dat er 125 jaar geleden toen in Ronse iemand heel attent een koor heeft opgericht. Het is inderdaad een ‘eeuw-igheid’ geleden. Met kennis van zaken en zeker van muziek werd gestart in onze St.-Hermeskerk. Het koor deed het van bij de start goed, en dat ze creatief waren bewezen ze in oorlogstijd. Toen mocht er niet met de relieken van onze patroonheilige worden rondgegaan; de koorleider componeerde dan maar een mis die ze opvoerden om toch de patroonheilige te gedenken, iedere Drievuldigheidszondag tijdens de oorlog.
Zoveel namen, zoveel mensen die in gedachten voorbijgingen, Michel Van Caeneghem, E.H.De Munck, Maurice Flamand en zo vele anderen…
Ik kan me voorstellen dat toen er werd besloten om ook vrouwen toe te laten tot het koor, dat met heel wat gefronste wenkbrauwen is gebeurd…nu lijkt het allemaal zo evident. Als ik de heldere sopraanstemmen hoorde dacht ik ‘gelukkig maar’.
Een koor met zo een lange staat van bestaan moet uiteraard moeilijke momenten hebben gekend. Dan gaat mijn gedachte uit naar die mensen die als het zo moeilijk was trouw bleven aan hun engagement en iedere zondag voor de hoogmis naar boven gingen om te zingen. Ik kan me voorstellen soms met zware benen… en toch …Zij hebben het waakvlammetje in stand gehouden. Zonder hen was er misschien geen viering nu.
Gelukkig kwam er op het gepaste moment een jonge snaak vol energie en met kennis van muziek die de waakvlam deed branden… en er kwam opnieuw vuur en muzikale warmte in onze kerk.
Toen ze in het stadhuis een feestlied ten berde brachten klonk het zo mooi, zo hemels…daar ben je fier op, daar ben je blij om.
Met deze academische zitting werd het feestjaar ingezet. En dat het vuur opnieuw brandend is !!!
In een goed gevulde St.-Hermeskerk kregen we de kans om het jubilerende koor te beluisteren. Met de fijngevoeligheid eigen aan de koorleider werd ook het Schyvenorgel in de bloemen gezet. De eerste liederen werden gebracht rond dit mooi klinkende orgel, bespeeld door de jonge talentvolle organist van het koor.
Het eerste gedeelte van het optreden was een muzikaal boeket samengesteld in samenspraak met de koorleden. We maakten samen met het koor een muzikale wereldreis en kregen prachtige liederen te horen. Van het stemmige ‘Verleih uns Frieden’ van Mendelssohn tot het zuiderse ‘O voso galo comadre’, een Gallicisch volkslied. Het eerste deel werd afgewerkt met ‘Laudate Dominum’, een loflied aan de Heer van Mozart, gebracht door het koor met de sopraan soliste Inge Zutterman. Het gaf al een voorsmaakje van wat ons in het tweede deel te wachten stond. Het was stil in de kerk…
Het hoogtepunt was de ‘Missa Sancti Nicolai’ van Josef Haydn gebracht door het koor met 4 vocale solisten en het kamerorkest Collegiaalconsort Ronse. Dan was het luisteren en stil genieten… De samenzang van het koor en de beroepszangers was geslaagd, het was af!
Het vele werk… de vele uren repeteren.. het was de moeite waard. Het was ook knap van de koorleider om dat alles te dirigeren …en het lukte. Hier is bewezen dat ook een kerkkoor tot grootse dingen in staat is, dat is ook cultuur met een hoofdletter. Hier rest enkel te zeggen PROFICIAT en BEDANKT voor zoveel moois.
Wat zijn wij toch een ‘rijke’ parochie met zoveel muzikaal talent.
Iemand die er tweemaal bij mocht zijn.



EEN KRANIGE EEUWELING…




In ’t jaer onser Heren doe man screef MDCCCLXXXIV ( 1884) wierd deur den Erewaerdighen Here Paeme, pastor totter Sinte-Hermesprochie ene gheselscepe van choresanghers ghefondeert metter naeme Sinte-Gregoriuschore…
Dit zijn de eerste regels die we lezen in het Gulden Boek van het Sint-Gregoriuskoor, in een voor 1884 weliswaar anachronistisch Middelnederlands. Maar we gaan nog verder terug in de tijd.

1802

Na de gruwelen van de Franse Revolutie is het interieur van de Sint-Hermescollegiaal herschapen in een ruïne. De kanunniken zijn op de vlucht geslagen en vanaf 1795 doet de kerk dienst als kolenmagazijn en paardenstal en dat laat zijn sporen achter. Wanneer met het ‘Concordaat’ tussen keizer Napoleon en de paus in 1802 de vrijheid van eredienst wordt hersteld en de verbeurd verklaarde kerkelijke goederen worden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar, is de kerk niet alleen een ruïne, ze heeft ook geen functie meer want de kanunniken zijn voorgoed uit Ronse vertrokken onder het schrikbewind der Fransozen. Daarom wordt bij gemeentedecreet beslist de kerk te laten gebruiken door de Sint-Pietersparochie, waarvan de kerk, gelegen vlak naast Sint-Hermes, al te bouwvallig is geworden. Aldus degradeert onze collegiaal van kapittelkerk tot parochiekerk.

Het zal quasi heel de 19e eeuw duren vooraleer alle sporen van het kolenmagazijn en de paardenstal zijn uitgewist. Uit de rekwestenboeken van de kerkfabriek maken we op dat een groot deel van het nog altijd aanwezige kerkmeubilair in die periode wordt aangekocht: neoklassieke biechtstoelen en dito orgelkast en oksaal en neogotische retabels, communiebanken en sedilia. De kansel en het koorgestoelte komen over uit de Doornikse Sint-Pieterskerk en de Ronsese kunstschilder Delfosse voorziet de kerk van schilderijen. Toen moest er alleen nog muziek in de kerk komen…

August De Sutter, grootvader van de later bekende priester-pedagoog-componist Ignace De Sutter, wijkt uit uit Kortrijk en vestigt zich in de tweede helft van de 19e eeuw in Ronse. Rond 1880 wordt hij de organist van de Sint-Hermeskerk. Zo ijvert hij voor een nieuw orgel, dat er uiteindelijk in 1896 onder zijn adviseurschap zal komen. Maar nog vóór het zover is, heeft De Sutter herhaalde keren onderpastoor Paeme over de vloer gehad. Paeme wil zijn steentje bijdragen aan de heropbouw van het leven in en rond de Sint-Hermes. Zovele kerken hebben een immens mannenkoor, maar Sint-Hermes blijft daarvan verstoken. Omdat Paeme muzikaal niet bij machte is blijft hij De Sutter aanporren. Hij wil hem tenvolle steunen om een koor op de been te krijgen.

Het duurt nog tot 1884 eer De Sutter en Paeme 23 kandidaat-zangers geronseld hebben. Solist Valère Carpentier wordt voorzitter van het nieuwe mannenkoor dat genaamd zal worden naar Sint-Gregorius, de grote paus uit de 7e eeuw met buitengewone verdiensten aangaande de kerkmuziek. Organist De Sutter wordt de eerste koorleider en een zekere Morel wordt angezocht om te begeleiden op het orgel als De Sutter moet dirigeren. Onderpastoor Paeme, de initiatiefnemer, wordt als vanzelfsprekend de eerste proost.

Over de eerste levensjaren van het nieuwe ‘Sint-Gregoriuskoor’ is weinig of niets bekend, want er moet nog geschiedenis worden geschreven. Toch moet het koor van zeker niveau zijn geweest, want De Sutter is niet de eerste de beste. Kundig en ambitieus als hij is wordt hij in 1887 directeur van de Oudenaardse Muziekacademie en tegelijkertijd volgt zijn benoeming als organist-kapelmeester op het Heilig Kerst te Gent. Hij zal evenwel toch nog de opbouw van het nieuwe Schyvenorgel van Sint-Hermes in 1896 adviseren en opvolgen.

Het is een andere solist, Fréderic Oushoorn, die vanaf 1887 de tweede dirigent wordt van het Sint-Gregoriuskoor. De Ronsenaar Norbert Merry wordt de nieuwe organist van Sint-Hermes en met de bouw van het monumentale Pierre Schyvenorgel in 1896 kan het Sint-Gregoriuskoor met de wind in de zeilen de kaap nemen naar de 20ste eeuw. Dat Sint-Hermes tot op vandaag beschikt over een monumentaal Schyvenorgel (Pierre Schyven die ook het Antwerpse kathedraalorgel gebouwd heeft) hebben we te danken aan De Sutter, zeker als we weten dat er in die tijd in Ronse zelf een andere orgelbouwer woonde en werkte.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 doet zich een verschijnsel van alle tijden voor: wanneer mensen in nood en onzekerheid verkeren zoeken ze veel meer dan anders hun toevlucht tot de Kerk. Het Sint-Gregoriuskoor dat intussen ook een Schola Cantorum heeft, een knapenkoor, ziet zijn ledenaantal dan ook gestadig stijgen.

In 1926 krijgt Sint-Hermes een nieuwe organist: Eugène Van Durme, een man uit het noorden van Oost-Vlaanderen. De hoogbejaarde Norbert Merry wil echter niet wijken van het orgel en Van Durme moet zich de eerste jaren tevreden stellen met de missen te zingen want Merry is hees en schor geworden. Hij wordt tevens de derde dirigent van het Sint-Gregoriuskoor. Tot op vandaag herinneren veel mensen zich Eugène Van Durme als een uiterst punctueel man, zowel op zichzelf als op zijn ambt, misschien iets minder muzikaal begaafd maar des te plichtsbewuster.
Een jong en veelbelovend muzikant helpt Van Durme waar hij kan door geregeld het koor te leiden: ons aller Maurice Flamant, de man die tot op 93-jarige leeftijd lid zal blijven van het Seniorenkoor op Sint-Hermes.

We schrijven 1939. Naast het gestadig groeien van het ledenbestand maakt men nu ook werk van een goed uitgebouwd bestuur. Met het aantreden van de nieuwe voorzitter Michel Van Caeneghem, textielfabrikant, en later ook député, schrijft het koor pas écht geschiedenis. Van Caeneghem heeft een breed charisma en een hart voor muziek. Hij componeert missen en motetten voor het koor en begeleidt ze zelf op het orgel, begenadigd organist als hij was. Jaarlijks mogen de koorleden aanzitten aan het Sint-Ceciliabanket, gesponsord door de voorzitter! Maar hij beklijft vooral door zijn blijvend tot de verbeelding sprekende ‘Missa in honorem Sancti Hermetis’, een misordinarium dat hij componeert als stil protest tegen het verbod van de Duitse bezetter om met de relieken van Sint-Hermes de grote ommegang te doen. Het Sint-Gregoriuskoor zingt deze mis gedurende de oorlogsjaren terwijl men op drievuldigheidszondag de relieken ronddraagt binnen de kerk. Secretaris Georges De Medts schrijft in 1952 over de voorzitter:

Wij hebben inderdaad in U gevonden de fijngevoelige toondichter, de geduldige leermeester, de goede vader van ons Sint-Gregoriuskoor.

Tot aan zijn dood op 31 mei 1968 zal Van Caeneghem voorzitter blijven, voor al zijn verdiensten gelauwerd in 1963 met de hoogste kerkelijke onderscheiding:
Pro ecclesia et pontifice, een pauselijke vereremerking.

In 1944 komt het einde van de oorlog eindelijk in zicht: de Ronsese priester Félicien Vandenbossche componeert de ‘Missa in honorem Sancti Gregorii’ en dirigeert zelf bij de creatie ervan op het hoogfeest van Pasen, 9 april 1944. WO II zal evenwel een onherstelbare klap teweeg brengen aan het ledenbestand van ons koor, want de tenor José Vanderdonckt sterft op 32-jarige leeftijd in het concentratiekamp van Neuengamme.

In de na-oorlogse periode geniet ook ons Sint-Gregoriuskoor van de hoogconjunctuur. Zowel het knapenkoor ‘Schola Cantorum’ als het Sint-Gregoriuskoor worden tijdig van jong bloed voorzien. In 1951 telt het koor 45 zangers. De ‘ Missa Sancti Hermetis’ van Van Caeneghem, jaar na jaar uitgevoerd sinds het eerste oorlogsjaar, wordt op drievuldigheidszondag 1947 gebracht in het bijzijn van 3 ministers: Minister van State August De Schrijver, Minister van Justitie Paul Struyve en Minister van State Eugène Soudan. In 1951 wordt Eugène Van Durme vereremerkt met de burgerlijke medaille van 1ste klas om 25 jaar trouwe dienst als koster-organist en koorleider. In 1957 geeft deze dirigent de dirigeerstok door aan een jonge snaak, een man waar Ronse tot op vandaag fier mag op zijn als het gaat om zingen in koorverband: Johan Jourquin. Vanaf 1961 gaat de koorleiding voor het eerst en totnogtoe voor het laatst over in de handen van een geestelijke: E.H. Paul De Muynck, ofte ‘Leepie’ zal gedurende 14 jaar zijn beste krachten aanwenden om het koor op niveau te houden. En wie denkt dat deze priester bang van vrouwen was heeft het verkeerd voor, want…
In de heugelijke algemeene vergadering van 2 juni 1961 werd met ernsten vroomheid overwogen dat ‘qui bene cantat, bis orat’ (wie goed zingt, bidt tweemaal) ook voor het vrouwelijke geldt. Diens werd unaniem besloten het aloude en vermaard Sint-Gregoriuskoor tot een gemengd koor te omvormen dat onder de voorname en kunstvolle leiding van Zeereerwaarde Heer Paul De Muynck de lof van Onze Lieve Heer en de schoonheid onzer hemelsche moeder zou bezingen. 

Einde citaat uit het Gulden Boek.

Vooraleer deze gedurfde beslissing te nemen, wordt gebruik gemaakt van de bedlegerige toestand van Deken Lust, die daardoor toegeeflijker is dan gewoonlijk. Deze gaat wel akkoord, maar het moeten ‘deftige dames’ zijn! Het koor gaat definitief maar noodgedwongen een totaal andere kant op. De reden voor het gemengd maken is het achterblijven van steeds meer mannelijke zangers. Toch heeft deze beslissing een averechtse werking op het gedrag van de mannelijke koorleden, want ondanks de maatregel blijven al te veel mannen veelvuldig afwezig op de repetities. Hiervan getuigen herhaalde brieven van zowel de koorleider als van proost Marchand.

Koorleider De Muynck is een man met capaciteiten, maar ook met capricen. Het koor blijft op niveau musiceren, maar de eerwaarde koorleider aarzelt niet zijn dirigeerstok aan diggelen te slaan én de koorleden uit te schelden als het al eens wat minder gaat. Ook met de geestelijkheid van Sint-Hermes krijgt hij het meermaals aan de stok omdat hij ‘bravourenummers’ zou brengen en géén gezangen die de gemeenschap kan meezingen. Deken Van Melckebeke, dat blijkt uit het koorarchief, schrijft letterlijk en meermaals verzoenende taal aan het adres van De Muynck. Maar onderpastoor De Clercq, proost van het koor, schrijft in 1969 de dirigent aan na een conflict. Het koor is immers op uitstap gegaan naar Ingooigem precies op de dag dat de Sacramentsprocessie uitgaat:

‘Ge zijt toch al dirigent, ge zijt voorzitter van het koor, wel vanaf vandaag kunt ge misschien ook nog proost worden van het koor, want ik dien mijn ontslag in’.

In hetzelfde jaar 1969 gaat Van Durme op pensioen en treedt Marcel Bossaer aan als nieuwe organist. Bossaer is vóór alles organist maar iéts minder koster, net het tegengestelde van zijn voorganger Van Durme. Wanneer koorleider De Muynck in 1975 benoemd wordt tot pastoor van Vurste volgt aanvankelijk Willy Laemont hem op aan het hoofd van het koor. Enige tijd later wordt Willy echter benoemd tot organist van de Klijpekerk en moet Marcel Bossaer, de organist van Sint-Hermes, hem opvolgen. Ondanks het feit dat het ons koor lang niet meer altijd voor de wind gaat zijn er toch nog hoogtepunten, zo bv in 1976 bij de uitvoering van de ‘Missa Sancti Spiriti’ van Norbert Rosseau, de Gentse toondichter die op St Hermes is getrouwd. Ook een wisselconcert met het koor ‘De Duif’ uit Amsterdam in juli en oktober 1977 mag koorleider Bossaer op zijn naam zetten. En wanneer in 1979 850 jaar Sint-Hermeskerk wordt gevierd, treedt ons koor aan in samenwerking met de toenmalige Antwerpse kathedraalorganist Stanislas Deriemaeker. Desalniettemin beschrijft koorleider Bossaer in hetzelfde jaar de malaise binnen het koor:

Ik hoop dat dit werkjaar een jaar mag worden waarin we veel nieuwe leden mogen begroeten, waarin misverstanden, kritiek en afbraak geweerd worden…

In 1980 verlaat Marcel Bossaer nogal plots de Sint-Hermesparochie. Hij wordt directeur van de Muziekacademie te Lede en later te Zottegem. Norbert Deriemaeker wordt benoemd tot koster-organist en Paul Carteus, een jonge Ronsenaar net terug na enige jaren Oudenaarde, aanvaardt de leiding over een ziek Sint-Gregoriuskoor. Omdat de opkomst op de repetities dermate laag ligt, worden éénstemmige Zingt Jubilateliederen aangeleerd (sic verslag bestuursvergadering). Twee jaar later schrijft Paul Carteus zijn koorleden aan:

Ik hoop dat wij dit jaar eindelijk een lichtpunt in de verte mogen zien voor wat ons koor betreft.

In 1984, het jaar van het centenarium, houdt koorleider Paul Carteus het voor bekeken. Proost Pol Dreelinck draagt Henri Van Steendam voor als koorleider. Het ledenaantal stijgt licht tot 24 in 1987, het jaar waarin 25 jaar gemengd koor wordt gevierd. Een jonge en muzikale voorzitter komt de gelederen vervoegen, Luc Delcoigne, die het koor geregeld begeleidt op het orgel. Er worden af en toe concerten georganiseerd waarin het koor kan aantreden: een passieconcert, een kerstconcert… Voorzitter Delcoigne dringt aan op een deftig repetitielokaal en vooral op coördinatie tussen de verschillende koren die Sint-Hermes intussen rijk is.

Maar na 6 jaar zingt ook Henri Van Steendam zijn zwanenzang. Het koorbestuur, dat zijn op dat ogenblik Luc Delcoigne, Anne-Marie Vanderkimpen, Denis Messiaen, Zuster Richarda Rombaut en Georges Demedts komen op aanraden van deken Brondeel vragen als ondergetekende het koor wil leiden. Het is september 1990, begin van mijn Burgerdienst op de Sint-Hermesparochie.

En zo staan we hier vandaag, aan het begin van het 125ste levensjaar van ons koor, de kranige eeuweling! We mogen terecht fier zijn. We zijn trouw gebleven aan de idealen van de stichting van pastoor Paeme, we hebben geschitterd in glorietijden, we hebben overleefd in moeilijke tijden, dit allemaal dankzij vele generaties die hun bijdrage hebben geleverd. Ondanks de recessie binnen de Kerk en ondanks de laagconjunctuur in de koorwereld tout-court blijven wij dankbaar vanuit het verleden hoopvol naar de toekomst kijken. En, kijk maar, het is al in zicht… ons veelbelovend en schitterend Haydnconcert van volgende week!

Koorleider Dominique Wybraeke

image 7684

image 7685
  | Afdrukken |Zoeken |SiteMap | Mail ons





Laatste wijzigingen: 23/04/08 @ 21:51 CET | 43.2 msec
© Copyright 2003-2012 Dekenaat-ronse.be
Powered by SiteEdit © 2002-2012